“Ze telt tot drie”
Elke nacht om klokslag drie hoort hij voetstappen op de trap.
Eén. Twee. Drie.
Altijd drie.
Nooit meer.
Nooit minder.
Hij heeft alles geprobeerd: camera’s, zout voor de deur, een priester.
Ze blijven komen.
Altijd drie.
Tot vannacht.
Hij telt mee. Eén. Twee. Drie…
Vier.
Vijf.
Zes.
Ze stopt niet.
De trap kraakt onder haar gewicht, steeds dichterbij.
Hij sluit zijn ogen.
Een stem fluistert: “Eindelijk hoor jij mij.”
Zijn adem stokt.
Ze staat naast zijn bed.
Ze telt tot drie.
En dan begint ze opnieuw.
Voor altijd.
Precies 100 woorden.


